vreemde lichten boven de USS Supply (1904)

Waarneming aan boord van de USS Supply – 28 februari 1904

In februari 1904 waren enkele bemanningsleden van het Amerikaanse marineschip USS Supply getuige van een bijzonder schouwspel in de lucht. Luitenant–ter–zee Frank Schofield beschreef deze waarneming van “opmerkelijke meteoren” in het weerkundige tijdschrift Monthly Weather Review van maart 1904.

Ltz. Schofield was aan boord van de USS Supply, maar zag de verschijnselen zelf niet. Hij sprak enige minuten na de waarneming met bemanningsleden die wel ooggetuige waren geweest.
De waarneming vond plaats op 28 februari 1904 om 6.10 uur’s ochtends lokale tijd.De USS Supply, een stalen schoener met stoomaandrijving die dienst deed als bevoorradingsschip, bevond zich toen ongeveer 400 zeemijlen westzuidwestelijk van San Francisco in de Grote Oceaan en lag op een noordnoordoostelijke koers.

Drie meteoren

Volgens ltz. Schofields verslag in Monthly Weather Review verschenen drie meteoren dichtbij de horizon en onder de wolken. In een groep kwamen ze vanuit noordnoordwestelijke richting recht op het schip af. Aanvankelijk was er een snelle hoekbeweging en de kleur was een nogal felle tint rood. Terwijl ze het schip naderden, leken ze te stijgen en boven de wolken te passeren op een hoogte van 45 graden. Nadat ze boven de wolken uit waren gestegen, werd hun hoekbeweging minder en minder, totdat deze stopte en ze op een hoogte van ongeveer 75 graden in westnoordwestelijke richting recht van de aarde af leken te bewegen. Opgemerkt werd dat de kleur minder uitgesproken werd toen de hoek van de meteoren met de horizon toenam. De hele waarneming duurde twee tot drie minuten.

Zes zonnen

In Schofields verslag staat te lezen dat de voorste meteoor de grootste was. Deze werd gevolgd door een tweede iets kleinere meteoor, op een afstand van minder dan twee keer de diameter van de grootste meteoor. Daarna volgde een derde nog kleinere op ongeveer dezelfde afstand. Ze leken in formatie voort te bewegen en bleven dat gedurende de gehele waarneming doen. De grootste van de drie had een schijnbare grootte van ongeveer zes zonnen. Hij was eivormig, met het scherpere uiteinde naar voren. Dit uiteinde had gekartelde contouren; het achtereinde had regelmatige en volle contouren. De tweede en derde meteoren waren rond en vertoonden geen onregelmatigheden van vorm. De tweede meteoor werd geschat op twee keer de schijnbare afmetingen van de zon en derde ongeveer net zo groot als de zon.

Kleine gaten

Toen de meteoren stegen, was er geen verandering in de relatieve posities ten opzichte van elkaar, schrijft ltz. Schofield. Evenmin was er op enig moment een aanwijzing voor rotatie of tollen van de grootste meteoor. De wolkenhoogte werd geschat op 1 zeemijl (1852 meter). Er waren kleine gaten in de bewolking, waardoorheen de blauwe lucht zichtbaar was.

Zuidoostelijke koers

De dichte nadering van deze meteoren tot het zeeoppervlak en de daarop volgende vlucht weg van het zeeoppervlak lijken zeer opmerkelijk, schrijft Schofield, in het bijzonder gezien het feit dat hun echte afmetingen niet groot konden zijn geweest. Dat ze onder de wolken kwamen en stegen in plaats van hun zuidoostelijke koers te behouden is even zeker als dat de hoekbeweging stopte en de kleur vervaagde terwijl ze opstegen, aldus ltz. Schofield in zijn verslag.

Onbegrijpelijke boodschap

De meteoren werden door drie bemanningsleden aan boord van het schip nauwkeurig gadegeslagen. Schofield schrijft dat hun verklaringen tot in detail overeenkomen. De officier aan dek, marinebootsman Frank Garvey, kreeg de meteoren in zicht en keek ernaar tot ze verdwenen. Hij stuurde een bode naar Schofield. Schofield schrijft dat de bode met een onbegrijpelijke boodschap bij hem kwam, waarop hij naar de brug van het schip ging. Toen Schofield daar aankwam, waren de meteoren reeds anderhalve minuut uit het zicht verdwenen.

Grijze wolkenlaag

UFO-onderzoeker Bruce Maccabee trof enige jaren geleden in het scheepslogboek van de USS Supply belangrijke aanvullende informatie aan over de weersomstandigheden. Deze informatie wordt niet genoemd in Schofields rapport over de waarneming in Monthly Weather Review. In het logboek stond dat er tijdens de waarneming een zwakke wind was en dat de zee kalm was. De hemel was voor 90% bedekt met stratus-bewolking die uit het noorden kwam. Stratus is een over het algemeen grijze wolkenlaag met een tamelijk egale onderzijde die op een hoogte lager dan 2000 meter hangt. Bij dunne stratus kan de zon erdoorheen zichtbaar zijn.

Hoge snelheid

Ltz. Schofield noemt de waargenomen verschijnselen consequent ‘meteoren’. In de wetenschappelijke literatuur wordt onder een meteoor een aan de hemel waargenomen lichtverschijnsel verstaan, meestal veroorzaakt door stof of puin uit de ruimte dat met hoge snelheid in de dampkring van de aarde terechtkomt en hierbij op 40-100 km hoogte een lichtverschijnsel veroorzaakt dat soms zeer spectaculair kan zijn.

Recht traject

Er is een aantal redeneringen aangevoerd waarom de door Schofield gemelde verschijnselen geen meteoren zouden zijn. Een van die redeneringen, beschreven door o.a. onderzoeker Bruce Maccabee, is de ogenschijnlijke koersverandering van de lichtverschijnselen, die meteoren zou uitsluiten. Er zijn in de astronomische literatuur echter vele waarnemingen beschreven van meteoren die geen rechte baan beschreven en wel van koers veranderden. Waarschijnlijk gebeurde dit doordat het invallend ruimtepuin betrof dat een vorm had die bepaalde aërodynamische eigenschappen bezat, waardoor het stukje ruimtepuin afboog van een recht traject.

Gloeiend ruimtepuin

Een ander argument tegen de meteorentheorie heeft betrekking op het felle rode licht dat de verschijnselen produceerden. Als de inschatting van de getuigen juist is dat de verschijnselen zich inderdaad onder de wolken bevonden, dan is het vrijwel uitgesloten dat het gloeiend ruimtepuin betrof. Onder deskundigen op het gebied van meteoren en meteorieten bestaat consensus dat een brok ruimtepuin die tot in de onderste regionen van de atmosfeer is doorgedrongen, intussen zover is afgekoeld dat deze geen licht meer produceert. Anderzijds kan niet worden uitgesloten dat het toch meteoren betrof, die op de gebruikelijke grote hoogte van 40-100 km zo veel licht produceerden dat ze door de (wellicht dunne) stratus-bewolking heen goed zichtbaar waren. In geval van de waarneming van zeer heldere meteoren zou je echter niet verwachten dat de getuigen de verschijnselen bij bewolkt weer dichtbij de horizon konden zien verschijnen.

Bronnen: NICAP, Inleiding tot de meteorologie, Bruce Maccabee.